Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Toewijzing ontbindingsverzoek werknemer. De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van de werkgever en kent een vergoeding toe van € 75.000,-. Daarbij is met name van belang dat de werkgever zelf keuzes heeft gemaakt waardoor zij niet meer aan haar re-integratieverplichtingen zou kunnen voldoen, door de functie van werkneemster door een ander te laten vervullen. Voorts acht de kantonrechter het feit dat de werkgever tijdens arbeidsongeschiktheid van de werkneemster heeft getracht te komen tot een beëindiging van haar dienstverband en haar vervolgens onredelijke re-integratievoorstellen heeft gedaan zeer zwaarwegend.

Uitspraak



RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Alkmaar

Zaaknr/repnr.: 383225 OA VERZ 11-201 (SEK)

Uitspraakdatum: 6 december 2011

Beschikking in de zaak van:

[naam], wonende te [adres],

verzoekende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

verder ook te noemen: [werkneemster],

gemachtigde: mr. L. de Bree, advocaat te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap Vomar Voordeelmarkt B.V., gevestigd te Alkmaar,

verwerende partij in conventie,

verzoekende partij in reconventie,

verder ook te noemen: Vomar,

gemachtigde: mr. R.A.M. Schram, advocaat te Haarlem.

Het procesverloop

[werkneemster] heeft op 13 oktober 2011 een verzoekschrift ingediend.

Daar heeft Vomar bij verweerschrift op gereageerd.

Vomar heeft tevens een zelfstandig tegenverzoek voor ontbinding ingediend.

Met het oog op de te houden terechtzitting heeft [werkneemster] nog producties overgelegd.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 november 2011, waar zijn verschenen [werkneemster] in persoon, namens Vomar mevrouw[HRM Manager] en de heer [de leidinggevende].

Partijen werden bijgestaan door hun gemachtigde.

Ter zitting hebben partijen hun verzoek- respectievelijk verweerschrift nader toegelicht aan de hand van pleitnotities.

De inhoud van deze processtukken geldt als hier ingelast.

Vervolgens is heden uitspraak bepaald.

De uitgangspunten

1.[werkneemster], geboren op [datum], is met ingang van 3 december

2007 voor onbepaalde tijd in dienst bij Vomar in de functie van Product groep manager/Categorie manager, laatstelijk tegen een salaris van € 4.965,- bruto per vier weken.

2.

Voordien, sinds 1991, was [werkneemster] werkzaam bij Heinz.

3.

De functie van Product groep manager/Categorie manager houdt in dat [werkneemster]

verantwoordelijk is voor het aansturen en beheren van meerdere productgroepen op het

gebied van assortiment, prijs, promotie, presentatie, communicatie en

logistiek. [werkneemster] geeft leiding aan de Assistent Categorie Manager.

4.

Op 18 juli 2010 is [werkneemster] tijdens een vakantie in Uganda betrokken geraakt bij een

auto ongeluk waarbij haar hand ernstig is verbrijzeld.

5.

Op 19 juli 2010 heeft [werkneemster] zich ziek gemeld.

6.

Op 3 augustus 2010 is [werkneemster] geopereerd en begonnen met een

intensieve revalidatie.

7.

Eind augustus 2010 is [werkneemster] op arbeidstherapeutische basis, naast de revalidatie,

bij Vomar weer aan het werk gegaan. Zij werkte hierbij 10 tot 12 uur per week voor een

periode van ruim 4 maanden.

8.

Van november 2010 tot voorjaar 2011 stond [werkneemster] onder behandeling bij een

psycholoog voor het verwerken van trauma ten gevolge van het ongeluk.

9.

In december 2010 is door [werkneemster] en Vomar een re-integratie rapport

opgesteld waarbij de insteek terugkeer in de eigen functie is.

10.

Op 4 februari 2011 heeft een tweede operatie aan de hand plaatsgevonden.

11.

Op 2 maart 2011 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat [werkneemster] haar

werkzaamheden bij Vomar weer kon gaan opbouwen en heeft geadviseerd om het re-

integratie traject uit te stippelen. Volgens de bedrijfsarts was de belastbaarheid op dat

moment 12 à 15 uur.

12.

Op 10 maart 2011 heeft er tussen [werkneemster] en haar leidinggevende, de heer [voorletter].

[de leidinggevende] (nader te noemen: [de leidinggevende]), een gesprek plaatsgevonden. In dit gesprek wordt aan [werkneemster]

[werkneemster] medegedeeld dat haar functie aan een ander is vergeven. Daarnaast deelt [de leidinggevende]

aan [werkneemster] mee dat Vomar voornemens is toe te werken naar beëindiging van de

arbeidsovereenkomst. [de leidinggevende] geeft als reden hiervoor op dat er te weinig tijd is om op het

herstel van [werkneemster] te wachten. [werkneemster] heeft met de voorgestelde beëindiging

niet ingestemd. Van dit gesprek is op 17 maart 2011 een gesprekverslag opgemaakt.

13.

Op 17 maart 2011 heeft er een tweede gesprek tussen [werkneemster] en [de leidinggevende]

plaatsgevonden. In dit gesprek is door Vomar opnieuw aangestuurd op beëindiging van de

arbeidsovereenkomst. Bij e-mail van 21 maart 2011 heeft [werkneemster] aan mevrouw [letter].[HRM Manager]

[HRM Manager], HRM Manager, (hierna[HRM Manager]) bericht dat zij ook deze keer niet instemt met

het beëindigingsvoorstel. Zij geeft aan deeltijd weer aan de slag te willen en heeft verzocht

om tot een oplossing te komen. In reactie hierop geeft[HRM Manager] bij e-mail van 22 maart

2011 aan dat Vomar en [werkneemster] nu in een lastige situatie dreigen te komen waarbij als

reden wordt gegeven dat het persoonlijk herstel en de ontwikkeling van het bedrijf niet

samen gaan.[HRM Manager] geeft aan zich te beraden over de verdere stappen.

14.

Op 30 maart 2011 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat [werkneemster] gedeeltelijk

arbeidsongeschikt is en voor 15 uur tot 20 uur per week belastbaar is.

15.

Op 27 april 2011 heeft er tussen [werkneemster] en [de leidinggevende] een gesprek plaatsgevonden,

waarin de intentie van Vomar om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst opnieuw ter

sprake is gekomen. Voorts heeft [de leidinggevende] re-integratie voorgesteld in de functie van

prijsopnemer. Bij brief van 28 april 2011 heeft Vomar aan [werkneemster] bericht over de

door haar uit te voeren activiteiten in het kader van prijsonderzoek.

16.

Bij brief van 28 april 2011 heeft Vomar aan [werkneemster] een loonvermindering,

wegens arbeidsongeschiktheid aangekondigd.

17.

Bij brief van 2 mei 2011 bericht Vomar aan [werkneemster] een loonsanctie te zullen

toepassen wegens werkweigering.

18.

Op 10 mei 2011 verzoekt [werkneemster] aan het UWV om een deskundigenoordeel

inzake de passendheid van het werk dat Vomar heeft aangeboden.

19.

In mei 2011 heeft Vomar [werkneemster] aangedrongen op ondertekening van een nieuw

plan van aanpak re-integratie. [werkneemster] weigert de ondertekening met als reden dat het

doel door Vomar is bijgesteld van “terugkeer in de eigen functie” naar “werkhervatting”.

20.

Bij brief van 31 mei 2011 heeft Vomar aan [werkneemster] bericht de loonsanctie te

zullen toepassen.

21.

Op 19 juli 2011 bericht het UWV aan [werkneemster] dat het aan haar aangeboden werk

(controleren van prijzen) niet passend voor haar is. Daarnaast wijst het UWV er op dat de

werkgever volgens de Wet Poortwachter verplicht is haar te herplaatsen in haar eigen werk,

en dat Vomar dit heeft nagelaten.

Daarnaast merkt het UWV op dat er geen tijdcontingent re-integratietraject is opgesteld en dat er geen re-integratiedoel is bepaald.

22.

Bij brief van 25 juli 2011 vraagt [werkneemster] aan Vomar om opheffing van de

loonsanctie.

23.

Op 9 augustus 2011 nodigt Vomar [werkneemster] uit voor een gesprek omtrent de re-

integratie. [werkneemster] heeft verzocht om uitstel.

24.

Bij brief van 22 augustus 2011 bericht Vomar aan [werkneemster] dat de korting op het

salaris met terugwerkende kracht ongedaan is gemaakt. Voorts nodigt Vomar [werkneemster]

uit voor een gesprek in september 2011 omtrent de re-integratie.

25.

Bij brief van 14 september 2011 stelt de gemachtigde van [werkneemster] aan Vomar voor

om tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen.

26.

Bij brief van 15 september 2011 bericht Vomar aan [werkneemster] het voorstel tot beëindiging niet acceptabel te vinden en geeft aan door te willen met re-integratie waarbij aangekondigd wordt om op 21 september 2011 te verschijnen voor een re-integratiegesprek.

27.

Bij brief van 19 september 2011 bericht gemachtigde van [werkneemster] dat [werkneemster]

[werkneemster] zich volledig ziek meldt vanwege het gerezen arbeidsconflict. Tevens kondigt zij een

mogelijke ontbindingsprocedure aan.

28.

Hierna heeft tussen Vomar en gemachtigde van [werkneemster] een briefwisseling

plaatsgevonden en is er op 4 oktober 2011 een gesprek tussen Vomar en [werkneemster]

geweest waarbij partijen hun standpunten hebben gehandhaafd. Bij brief van 5 oktober 2011

heeft Vomar hetgeen is besproken bevestigd.

Het geschil

29.

[werkneemster] verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen [werkneemster] en Vomar te ontbinden met ingang van 8 weken na datum beschikking, onder toekenning van een vergoeding aan haar ten bedrage van € 85.000,- bruto.

30.

Het verweer van Vomar strekt tot toewijzing van het ontbindingsverzoek, maar dan zonder toekenning van een vergoeding aan [werkneemster].

Het tegenverzoek van Vomar strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, wederom zonder toekenning van enige vergoeding aan [werkneemster].

31.

[werkneemster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat er een onoplosbaar arbeidsconflict is ontstaan dat geheel aan Vomar is te verwijten. Deze veranderingen in de omstandigheden zijn van dien aard dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn behoort te eindigen. Ter onderbouwing heeft [werkneemster] aangevoerd dat Vomar, ondanks het ontslagverbod, tijdens haar ziekte en in de fase van pril herstel, heeft aangestuurd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Omdat de afwezigheid van [werkneemster] wegens ziekte organisatorisch niet goed was in te passen, was dit voor Vomar reden om tot beëindiging over te gaan. Nadrukkelijk wordt gesteld dat [werkneemster] altijd goed heeft gefunctioneerd er geen economische gronden zijn voor ontslag. Een geldige reden tot beëindiging dienstverband heeft Vomar dus niet aangevoerd. Ook heeft Vomar gekozen voor een permanente vervanger van [werkneemster], terwijl bekend was dat [werkneemster] zou herstellen. Nadat [werkneemster] duidelijk heeft aangegeven geen beëindiging te willen, maar in plaats daarvan re-integratie in haar eigen functie, heeft Vomar bewust aangestuurd op een arbeidsconflict. Er werden loonsancties doorgevoerd, terwijl [werkneemster] door toedoen van Vomar niet kon werken. Voorts diende [werkneemster] wekelijks op kantoor te verschijnen. Daarnaast drong Vomar aan op het verrichten van werkzaamheden die ver onder haar niveau liggen door haar de functie van prijsonderzoeker (stiekeme prijsopname bij de concurrent) aan te bieden. Ondanks de hele situatie heeft [werkneemster] altijd haar beste beentje voorgezet. Echter, toen ook na het deskundigenbericht van UWV, waarin werd bevestigd dat de aangeboden functie van prijsonderzoeker niet passend is, er geen enkele verbetering in de houding van Vomar optrad, zag [Werkneemster] het niet meer zitten. [werkneemster] mocht nog steeds niet beginnen als Categorie Manager, het verzoek tot werkhervatting werd genegeerd en de loonsancties werden gehandhaafd. Eind augustus 2011 is [werkneemster] tot het besef gekomen dat ze omwille van haar gezondheid (vanwege de spanningen is [werkneemster] antidepressiva en rustgevende middelen gaan gebruiken) niet meer bij Vomar kon terugkeren, en heeft dit bij brief van 14 september 2011 aan Vomar kenbaar gemaakt. Gezien alle gebeurtenissen die zich voorafgaand aan dit moment hebben voorgedaan, valt het Vomar te verwijten dat van [werkneemster] op dat moment niet meer verlangd kon worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Ook mag van [werkneemster] niet verlangd worden dat zij alsnog actief meewerkt aan re-integratie, nadat Vomar op 19 september 2011 te kennen geeft dat [werkneemster] toch mag blijven. Eerst vecht [werkneemster] ruim een half jaar tegen de pijn aan hand om weer aan het werk te kunnen, daarna vecht ze een half tegen Vomar om weer aan het werk te mogen. [werkneemster] wordt dan ook letterlijk ziek van het feit dat Vomar plots van haar verlangt dat zij re-integreert, terwijl zij dat eerst juist niet mocht. Daarnaast blijkt tijdens het re-integratiegesprek van 4 oktober 2011 dat Vomar wel zegt dat zij haar re-integratieplicht wil nakomen maar dat er geen enkel concreet plan ligt. [werkneemster] benadrukt dat zij sinds maart 2011 deeltijds en sinds juli 2011 voltijds aan de slag had kunnen zijn indien Vomar haar zou hebben toegelaten tot haar eigen werkplek.

Tenslotte verzoekt [werkneemster] bij het vaststellen van de ontbindingsvergoeding om ook de dienstjaren bij de vorige werkgever (Heinz) mee te tellen omdat zij door Vomar actief hier is weggehaald.

32.

Ter onderbouwing van haar tegenverzoek en als verweer op het verzoek van [werkneemster] heeft Vomar - zakelijk samengevat - het volgende naar voren gebracht.

Vomar betwist dat sprake is van gewijzigde omstandigheden welke tot een onoplosbaar arbeidsconflict hebben geleid dat aan Vomar te verwijten zou zijn. Weliswaar heeft Vomar aanvankelijk aangegeven te streven naar beëindiging van de arbeidsovereenkomst omdat [werkneemster] wilde terugkeren in haar eigen functie en Vomar niet in staat was om aan deze eis gevolg te geven. Echter, na het advies van het UWV heeft Vomar vanaf augustus 2011 getracht om te komen tot een goede re-integratie en fulltime terugkeer bij Vomar in een andere passende functie. Vomar benadrukt dat het [werkneemster] is geweest die de re-integratie ernstig heeft gefrustreerd. Vanaf juli 2011 zijn er diverse malen afspraken gepland om te komen tot re-integratie, maar [werkneemster] traineerde dit en heeft zich uiteindelijk bij brief van 19 september 2011 volledig ziek gemeld vanwege een zogenaamd arbeidsconflict.

Waarom er juist toen plotseling een arbeidsconflict zou zijn ontstaan en [werkneemster] zich volledig ziek meldde, was voor Vomar onbegrijpelijk. Er was immers niets voorgevallen. Op het moment dat [werkneemster] begreep dat Vomar de re-integratie serieus ter hand wilde nemen, heeft [werkneemster] geprobeerd een conflict te creëren en heeft zij uiteindelijk zelf het verzoek tot ontbinding ingediend, terwijl Vomar nota bene had aangegeven te streven naar volledig terugkeer van [werkneemster] in haar organisatie. Dat de aangevoerde gronden voor het ontbindingsverzoek oneigenlijk zijn blijkt ook uit het feit dat op het moment dat Vomar in maart en april 2011 had aangegeven dat [werkneemster] niet kon terugkeren, dit voor [werkneemster] geen grond heeft gevormd om een verzoek tot ontbinding in te dienen. Evenmin heeft het oordeel van het UWV, dat het aangeboden re-integratiewerk niet passend zou zijn, voor [werkneemster] aanleiding gevormd om een ontbindingsverzoek te doen.

Tenslotte betwist Vomar dat zij [werkneemster] bij Heinz actief heeft geworven om bij haar in dienst te treden, en stelt zich op het standpunt dat er geen enkele vergoeding aan [werkneemster] dient te worden toegekend.

De beoordeling

33.

De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden toegewezen. Uit de stukken blijkt dat de arbeidsrelatie onherstelbaar is verstoord en dat beide partijen om een ontbinding van de arbeidsovereenkomst hebben verzocht. De kantonrechter zal tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst overgaan per 1 februari 2012. Ook het tegenverzoek zal worden toegewezen, gelet op de verstoorde arbeidsverhoudingen.

34.

De volgende vraag waar de kantonrechter aan toekomt is of er een vergoeding aan de ontbinding moet worden verbonden. De kantonrechter overweegt hiertoe het volgende.

35.

Onweersproken staat vast dat nadat op 2 maart 2011 de bedrijfsarts heeft geoordeeld dat [werkneemster] in het kader van de re-integratie 12 tot 15 uur in de eigen functie zou kunnen werken, Vomar op 10 maart 2011 heeft besloten om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Dit gedrag van de werkgever in een periode dat [werkneemster] ziek was, en waarin zij volop bezig was met revalidatie, terwijl de bedrijfsarts re-integratie heeft geadviseerd, is naar het oordeel van de kantonrechter niet als goed werkgeverschap aan te merken. De kantonrechter neemt bij dit oordeel met name in aanmerking de uitleg die Vomar tijdens het gesprek aan haar besluit heeft gegeven. In het gesprekverslag van 10 maart 2011 heeft Vomar het als volgt verwoord:

“(…) In dit gesprek hebben we in eerste instantie gesproken over de voortgang van je herstel. (…) Al met al ben je zeer positief over de prognose en ben je klaar om weer aan de slag te gaan.Op jouw vraag: “dus wat gaan we doen?”, moesten wij echter antwoorden dat Vomar voornemens is toe te werken naar beëindiging van jouw contract. Jij gaf aan hiermee niet akkoord te gaan en vroeg naar de achtergronden. [voornaam] [de leidinggevende] gaf aan dat er geen opmerkingen zijn over je functioneren. Je functioneerde tot nu toe altijd goed.Hij liet weten dat het besluit is ingegeven door de situatie waarin de organisatie zich nu bevindt. Er is nu helaas onvoldoende tijd voor ons om te kunnen wachten op jouw volledige herstel.Hij gaf aan dat je inmiddels bijna 8 maanden afwezig bent en het tijdspad van je herstel niet overeen komt met het tijdspad dat nu nodig is voor het volledig op orde brengen van Categorie Management. In de afgelopen maanden zijn hier al een aantal stappen gezet. Deze lijn moet nu worden voorgezet. Dit houdt concreet in dat er voor jou geen plaats meer is binnen het team. (…)”.

De kantonrechter stelt vast dat Vomar haar eigen belang bij continuïteit van haar onderneming voorop heeft gesteld, zonder afdoende rekening te houden met de belangen van [werkneemster]. Het staat een bedrijf vrij ten behoeve van haar bedrijfsvoering de door haar gewenste keuzes te maken, maar de gevolgen van die keuzes dienen dan wel voor rekening van het bedrijf te komen. Vomar had oplossingen kunnen zoeken die meer recht doen aan de belangen van [werkneemster], bijvoorbeeld door te kiezen voor een tijdelijke vervanging, of vervulling van de functie op detacheringsbasis, of jobroulatie. Voorts heeft Vomar bij het maken van haar keuze niet meteen gezocht naar een goede oplossing voor [werkneemster], die past binnen de opdracht van het UWV: re-integratie in het eigen (of zeer vergelijkbaar) werk. Vomar heeft daarmee zelf het probleem gecreëerd dat zij niet meer aan haar verplichtingen tot re-integratie kon voldoen. Dit en het feit dat Vomar de arbeidsovereenkomst heeft willen beëindigen is naar het oordeel van de kantonrechter ernstig verwijtbaar handelen van een werkgever. Het is uitsluitend het gevolg geweest van het handelen van [werkneemster] zelf, nu zij alle drie de keren niet met de voorgestelde beëindiging heeft ingestemd maar re-integratie wilde, dat Vomar is overgegaan tot het ter hand nemen van de re-integratie. Dit blijkt immers uit de brief van 28 april 2011 van Vomar aan [werkneemster]:

“(…)

Ik kan mij voorstellen dat het lastig voor je is om van ons te blijven horen dat we op termijn de arbeidsovereenkomst zullen gaan beëindigen. Dit is echter een gegeven waar wij geen misverstand over willen laten bestaan. Je hebt in eerdere gesprekken aangegeven dat je niet wil meewerken aan een ontslag en dat je van ons eist dat we onze re-integratieverplichtingen serieus nemen. Dat doen wij ook. Vandaar dat ik op 27 april met je in gesprek wilde gaan om te vertellen welke activiteiten je kan uitvoeren. (…)”.

De kantonrechter is evenwel van oordeel dat ook na deze brief Vomar haar re-integratieverplichtingen niet serieus heeft genomen. In dezelfde brief wordt [werkneemster] namelijk in het kader van re-integratie opgedragen om de functie van prijsonderzoeker uit te voeren, terwijl deze functie op MBO niveau is en onbetwist vaststaat dat [werkneemster] 20 jaar werkervaring heeft in een commerciële functie op HBO niveau. Dat deze functie niet passend is leidt de kantonrechter deels af uit de uitleg die van [werkneemster] ter zitting hierover heeft gegeven, namelijk dat het er bij deze functie om gaat dat de werknemer met behulp van verborgen opname apparatuur langs de schappen van de concurrent moet sluipen om ondertussen de prijs van bijvoorbeeld de hagelslag en de ontbijtkoek in een microfoon, die in mouw verborgen zit, in te fluisteren. Met name echter gezien het oordeel van het UWV in haar rapportage van 19 juli 2011 is de kantonrechter met [werkneemster] van oordeel dat de functie niet passend is:

“(…)

Het is volledig onterecht dat de werkgever belanghebbende geen mogelijkheid geeft om te hervatten in het eigen werk. De prognose van de bedrijfsarts is dat zij volledig zal herstellen. Het is onbegrijpelijk dat een bedrijf waar honderden medewerkers in dienst zijn, zegt niet te weten dat de re-integratie primair gericht moet zijn op herplaatsing in het eigen werk. De vraag van belanghebbende of zij geschikt is voor het aangeboden werk (prijzen controleren bij concurrenten) kan ontkennend worden beantwoord. Belanghebbende moet herplaatst worden in het eigen werk. Belanghebbende vraagt niet om toetsing van de re-integratie-inspanningen van de werkgever.Mocht er een eventuele RIV toetsing komen, dan kan er gesteld worden dat deze onvoldoende zijn. Er is geen tijdcontingent traject opgesteld en het re-integratie doel is niet vastgelegd door de werkgever. (…)”.

De kantonrechter is van oordeel dat door het (opnieuw) niet serieus nemen van haar re-integratieverplichtingen Vomar opnieuw geen blijk heeft gegeven van goed werkgeverschap. Hierdoor is nodeloos vertraging ontstaan in het re-integratieproces en is het vertrouwen in de werkgever geschaad.

De kantonrechter stelt vast dat Vomar ook na het UWV rapport van 19 juli 2011 niet adequaat heeft gereageerd. Pas op 22 augustus 2011 is Vomar tot opheffing en terugbetaling van de loonsanctie overgegaan, terwijl uit het bericht van het UWV al bleek dat dit moest gebeuren en [werkneemster] daar al bij brief van 25 juli 2011 om had verzocht. Van enige excuses aan de kant van Vomar voor het onterecht toepassen van de loonsanctie is niet gebleken.

Dat Vomar vanaf eind juli 2011 het oordeel van het UWV heeft opgevolgd is onvoldoende gebleken. Immers, de arbeidsdeskundige van het UWV heeft duidelijk geoordeeld dat [werkneemster] moet worden herplaatst in haar eigen werk. Tijdens het gesprek tussen Vomar en [werkneemster], dat uiteindelijk op 4 oktober 2011 heeft plaatsgevonden, is niet gebleken dat aan [werkneemster] terugkeer in eigen functie is aangeboden. Wel stelt Vomar [werkneemster] voor om gedurende het re-integratieproject diverse taken uit te voeren, maar niet duidelijk is welke taken dit betreffen. Evenmin wordt haar duidelijkheid verschaft over de toekomstige functie die Vomar voor haar op het oog heeft – een functie die gelijk(waardig) moet zijn aan haar eigen functie. Het verweer van Vomar dat het zoeken naar een nieuwe functie in overleg met [werkneemster] wilde doen, verwerpt de kantonrechter aangezien het de plicht van de werkgever is om aan haar re-integratieverplichtingen te voldoen en zij daarom degene is die met een concreet voorstel dient te komen.

Ook het verweer van Vomar dat de aangevoerde gronden voor het ontbindingsverzoek oneigenlijk zijn, omdat er voor [werkneemster] eerder geen aanleiding bestond om een verzoek tot ontbinding te doen, verwerpt de kantonrechter. Het getuigt juist van doorzettingsvermogen en de wil om blijven te werken dat [Werkneemster], ondanks de gebeurtenissen in maart 2011 en daarna, toen niet om een verzoek tot ontbinding heeft verzocht. Dat zij thans hier wel om verzoekt onder toekenning van een vergoeding is gezien de handelswijze van Vomar gedurende haar ziekteproces en het uiteindelijk uitblijven van een concreet re-integratievoorstel waarbij een passende functie wordt aangeboden, te begrijpen.

Dat [werkneemster] mogelijkerwijs niet steeds adequaat heeft gereageerd op de uitnodigingen van Vomar in augustus en september 2011, doet niet af aan de mate van verwijtbaarheid van Vomar voor het ontstaan van een arbeidsconflict.

Gelet op het hiervoor overwogene is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van Vomar. De kantonrechter acht daarbij met name van belang dat Vomar zelf keuzes heeft gemaakt waardoor zij niet meer aan haar re-integratieverplichtingen zou kunnen voldoen, door de functie van [werkneemster] definitief door een ander te laten vervullen. Voorts acht de kantonrechter het feit dat Vomar tijdens arbeidsongeschiktheid van [werkneemster] heeft getracht te komen tot een beëindiging van haar dienstverband en haar vervolgens onredelijke re-integratievoorstellen heeft gedaan zeer zwaarwegend.

Gelet op de ernstige mate van verwijtbaarheid komt aan [werkneemster] een vergoeding van € 75.000,- bruto toe. De kantonrechter overweegt dat bij de berekening van de vergoeding de jaren die [werkneemster] bij haar vorige werkgever heeft gewerkt, niet zijn meegenomen. Van het actief werven van [werkneemster] door Vomar is niet gebleken.

36.

Ingevolge artikel 7:685 lid 9 en 10 BW worden partijen van de voorgenomen beslissing in kennis gesteld en zijn beide bevoegd hun (tegen)verzoek binnen de hierna te noemen termijn in te trekken.

37.

Gelet op het resultaat van deze procedure zal Vomar met de proceskosten worden belast.

De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen op het verzoek van [werkneemster] en op het tegenverzoek van Vomar, met ingang van 1 februari 2012 en kent aan [werkneemster] ten laste van Vomar, zowel op het verzoek als het tegenverzoek, een vergoeding toe van € 75.000,- bruto, een en ander tenzij zowel het verzoek als het tegenverzoek vòòr 31 januari 2012 schriftelijk worden ingetrokken;

veroordeelt Vomar in de proceskosten, die tot heden voor [werkneemster] worden vastgesteld op een bedrag van € 826,- [inclusief BTW indien en voor zover door Vomar verschuldigd], waaronder begrepen een bedrag van € 400,- voor salaris van de gemachtigde van [werkneemster] [waarover Vomar geen BTW verschuldigd is]; ook in geval van intrekking van het verzoek of het tegenverzoek;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. van der Linde, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 6 december 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature